- 06-05-2019

Behoud van huurrecht bij einde relatie

In een situatie waarin u samen met uw partner een woning huurt en u bent beiden contractspartij, is het de vraag aan wie het huurrecht toekomt bij het einde van de relatie.

Ironisch genoeg oordeelde de rechtbank Amsterdam op 14 februari 2019[1] over het behoud van het huurrecht in een situatie waarin beide (ex-)partners slechts mondelinge afspraken hadden gemaakt over de voortzetting van de huur bij het einde van de relatie.

Het zal u niet verbazen dat beide partijen bij het einde van de relatie een andere uitleg gaven aan de tussen hen gemaakte (mondelinge) afspraken. De mannelijke (ex-)partner stelde zich op het standpunt dat zijn (ex-)vriendin degene zou zijn die zou gaan verhuizen, terwijl laatstgenoemde op haar beurt van mening was dat was afgesproken dat zij in de woning zou blijven, nu haar (ex-)vriend de huurpenningen niet zou kunnen betalen als gevolg van zijn werkloosheid en het feit dat hij al negen maanden lang vreemdging.

Gelet op het ontbreken van bewijs voor (één van) deze afspraken, wijst de rechtbank beide vorderingen af. Omdat het echter niet in het belang is van partijen om in onzekerheid te blijven omtrent het (aan één van hen toekomende) huurrecht, vult de kantonrechter de rechtsgronden ambtshalve aan, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat partijen niet langer met elkaar kunnen samenwonen omdat het tussen hen tot een relatiebreuk is gekomen. De aanleiding van de relatiebreuk is gelegen in het bestaan van een affectieve relatie van de mannelijke partner met een andere vrouw.

Op grond van algemeen aanvaarde normen ligt het voor de hand, aldus de rechtbank, dat degene die de aanleiding heeft gegeven voor de noodzaak om de samenwoning te beëindigen, in beginsel ook degene is die de gezamenlijke woning verlaat.

Dit zou alleen anders kunnen zijn in het geval diegene een zwaarwegender belang heeft dan de andere partner om de woning te kunnen blijven bewonen of dat er sprake is van andere omstandigheden die zouden maken dat dit geen billijke oplossing is. Een dergelijke uitzondering doet zich in deze zaak volgens de rechtbank niet voor, nu ook de mannelijke partner inmiddels een nieuwe woning heeft gevonden.

Gelet op bovenstaande omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het huurrecht van de gezamenlijke huurwoning bij het einde van de relatie in dit geval toekomt aan de vrouwelijke (ex-)partner. De verplichting tot doorbetaling van de huurpenningen stopt op het moment dat de woning door de vertrekkende partij wordt verlaten.

Gelet op bovenstaande doet u er verstandig aan om voorafgaand aan het samenwonen met uw partner schriftelijke afspraken te maken, onder meer over het toekomen van het huurrecht aan één van u beiden bij het einde van de relatie.

Let op: In een situatie waarin één van de (ex-)partners een woning in eigendom heeft, kan de andere (ex-)partner de rechter verzoeken om (met uitsluiting van de eigenaar van de woning) voor een periode van maximaal zes maanden in de woning te verblijven. Bovendien kan de “niet-rechthebbende” (ex-)partner aanspraak maken op een vergoedingsrecht als hij of zij geld in de woning heeft geïnvesteerd en/of werkzaamheden in de woning heeft verricht die bij het einde van de relatie ten goede komen aan de eigenaar van de woning.

Mocht u in één van bovenstaande situaties verkeren, neem dan contact op met ons kantoor zodat wij u kunnen adviseren over het behoud van uw huurrecht en/of het recht om in de woning van uw (ex-)partner te verblijven.

[1] Rb. Amsterdam 14 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1054.

Rosalie van Rooijen Advocaat 020-209 00 23